maandag 14 juni 2010

Zij staat paf want ze wist niet dat het kon


Dag,

Ik zit thans in Corro, een prettige plaats ten noorden van Venezuela, een studentenstad ook, rustig en niet teveel gedoe. Ze zijn hier van mening dat het mogelijk moet kunnen zijn om 's nachts nog door de straten te wandelen zonder verkracht, vermoord of op z´n minst beroofd te worden, een visie die ik alleen maar kan onderschrijven, en met mij, vanop muren en pamfleten allerhande: Hugo Chavez. Want die wil het beste voor zijn land. Het vergaat me nog steeds prima, op mijn queeste naar Caracas, Venezuela, alwaar ik maandag het vliegtuig naar Rio ga nemen. Dit omdat zo een maand geleden het idee - je leeft vermoedelijk maar 1 keer- in me opkwam om de Mundial in Brazilie mee te maken. Naast geniaal blijkt nu ook dat deze grap redelijk kostelijk is, wat niet wegneemt dat ik me op dezelfde wijze (*) amuseer en dat ik het neig vind om onderweg te zijn. Ik zou dit onderweg-principe, althans mijn visie erop, die ik tijdens de vele uren in bussen, autos, boten of stomweg wandelend heb bedacht (overal en nergens, ontbonden verbonden, De Betrokken Passant, Het Zijn van het Niet-Zijn...) hier filosofisch uit de doeken kunnen doen, maar ik vrees dat daar niet echt een hond op zit te wachten.



Een muur in Corro















 


In Colombia, alvorens ik 2 studenten van de unif van Bogota leerde kennen en die me een avond lang het wel en wee vertelden van hun land. Laat ons stellen dat er nog wel wat werk is, dat de president niet meteen de Nobelprijs voor de vrede verdient en dat je je nationale cocainehandel niet verdrijft door de bagage van toeristen tot vervelens toe te checken.


In een nationaal park, met regen en dus de 2 studenten en het kindje van 1 van de 2, Juan Esteban, die zandballen gemaakt van strand op me smeet. Die nacht kon ik meerijden tot aan de grens van Venezuela in de universiteitsbus van de studenten, hetgeen tof was.











In Panama, alvorens ik in de city aankwam, besloot ik een frisse neus te halen in de bergen. Ik had via iemand vernomen dat er in het nationaal park Amistad naast Jaguars, Quetzals en slangen ook een kamphuis was, in het midden van de jungle.

Daar aangekomen maakte ik kennis met een man van om en bij de vijftig, een man van het type dat al iets te veel jaren alleen in een kamphuis in de jungle woont, en daardoor een beetje op een boom begint te lijken. Hij bekeek me traag en alsof ik builenpest had toen ik hem vroeg of ik in zijn huis mocht overnachten. Na even problematisch gedaan te hebben - ¨ ik heb een groep van studenten vannacht¨- zag de brave man toch een optie dat ik in een kruipkamertje op het eerste kon gaan liggen. Dat was vriendelijk van hem, ook het feit dat hij me voor een Panameese student liet doorgaan, aan halve prijs.

Dat mocht ook wel, want er lag een dode vogel me op te wachten in de kamer. Ik weet niet of iemand van jullie al eens een tropische vogel vanop 10 m hoogte met een tijdschrift op de grond heeft moeten laten kletsen, maar er zijn leukere dingen te doen op de aardbol.

Daarna besloot ik een tochtje te maken door het park. Het was alleen en prachtig. Een beetje een sprookjesbos, soms, en mijn voeten zakten weg in de modder en er was en vogeltje dat me voorliep steeds 5 meter omhoog tot ik helemaal boven was.

Terug aangekomen in het kamp, stond de man nog steeds een beetje buiten tegen een paal te staan, de groep van studenten had al 5 uur geleden aangekomen moeten zijn, en hij wist het zelf ook niet meer. Toen gebeurde er iets geniaals: de man gaf mij de sleutel van het huis en zei dat hij het afbolde, ik mocht het huis vannacht gebruiken. Ik ging zowat over mijn nek. Alleen in een huis midden in de jungle met enkel wat droog brood en geen drinkwater. Wat een uitdaging werd me hier gepresenteerd. Bon, ik begon water te koken en daarna af te koelen, ik maakte een haardvuur, improviseerde een koffiefilter met plastiken bekertjes, een naald die gaatjes prikt en veel geduld en ik voelde me een beetje zoals Davy Crocket of Indiana Jones ofzo. Het was cool te weten dat ik de gave bezit om te overleven alleen in de jungle...
Wat later kwamen de studenten en bon, dat was ook gezellig en iets minder alleen.

De tocht door het woud
De eilanden van San Blas, bewoond door Indianen, die soms dingen doen waarbij ik me, mocht ik een trotse traditionel voorvader zijn, zou omdraaien in mijn graf
Indiaan borstelt het strand sochtends. Reden onbekend
In dit gehucht in San Blas hoopte ik in een vlaag van naiviteit een boot te vangen die me wel even zonder problemen naar Colombia zou varen voor een appel en een ei. De Indiaanse Kuna vrouwen lachten hun tanden bloot om zoveel wereldvreemdheid en vroegen om een dollar als ik een niet-paparazi foto wilde schieten. Hieronder een pararazi foto, luttele ogenblikken voor ik van de wiedeweerga eieren voor mijn geld koos en terug naar Panama city ging om - zoals elke normale mens- met het vliegtuig naar Colombia te gaan

aan het Panamakanaal
Zo bouwden ze het Panamakanaal
De rijkere cote van Panama City, een coole stad maar zo gespleten als een kikker
San Blas eilanden
In Cartagena Colombia ( inderdaad, het zou overzichtelijker zijn mocht dit blokje wat meer naar bovesn staan, onder de rubriek Colombia) voordat ik in alle eerlijkheid met mezelf besloot dat ik mijn reisgezelschap, 2 Israelis, gewoon niet leuk vond - kan gebeuren, heeft niets met antisemitisme te maken- vooral daar ze geen jota spaans konden, en slechts 1 jota Engels en er altijd nogal gebiedend op stonden om alles maar dan ook alles voor hen te vertalen en als ik het dan uitlegde het weigerden te begrijpen, hetgeen niet zo neig is, als je elkaar niet eens kent. En voordat ik dan ook opgelucht was dit voor mezelf te erkennen en hen dan ook achter te laten, zij het ongemerkt want ze hadden me al zo goed als verplicht om een dag na dit moment met hen door de jungle te trekken.



Deze sympathieke man en zijn vriend gaven me een lift tot in Corro, waar ik nu dus ben.
Alhoewel, bij het eindigen van dit blogbericht ben ik in Rio, deze avond kwam ik hier aan, moet je weten. Rio ziet er zeer cool uit. Morgen wil ik hier voetballen op de Copacabana.
         
* kostelijk dus
Vele groetjes

zondag 6 juni 2010

Op een meer in Guatemala


Bon, dit gaat over de 4 dagen in Comalapa samen met Jenniferke en haar familie, zowat een maand geleden.  Ik heb er even aan gewerkt, omdat het ook in een Belgisch magazine gaat komen te verschijnen




                                                                           *


Waar denkt ze aan? Welke gedachten gaan er door haar hoofd? Nu. Op dit moment. Hier, in de boot die op en neer gaat door het azuurblauwe water. Ze heeft een plekje in de schaduw gezocht, want veel zon verdraagt ze niet. Haar kleurige Mayakledij is gemaakt voor tradities, niet voor zachte dagen. Terwijl ze naar de oevers kijkt, waar denkt ze aan?


We varen op het glasheldere water van Lago Attitlan, een reusachtig meer in Guatemala. Het mooiste meer ter wereld, zo noemde een bekende schrijver het. Hij heeft gelijk, het is inderdaad prachtig. Statige vulkanen en groene bergen omringen het en geven het een speciale rust. Geen wolkje aan de hemel. De boot klieft door het water en geeft afkoeling aan de mooie dag. We varen terug van San Marcos, een idyllisch dorpje aan de overkant en we varen langs de dure villa’s van Santa Cruz, paleizen voor rijke mensen, gebouwd in alle maten en verspreid over de steile bergwand, de overvloed straalt ervan af, de schoonheid ook, maar vooral de overvloed, de rijkdom en de overdaad, en de moeder van Jennifer kijkt ernaar en ik kan alleen maar denken: ‘Waar denkt zij nu aan?’


Ik zit in een boot met Jennifer en haar familie. Jennifer is mijn ahijada, petekind, in Guatemala. Ze is 10 jaar en een van de redenen waarom ik voor acht maanden in Centraal-Amerika ben. Afgelopen zomer zag ik haar toevallig in België, in een fotoboek van vzw Ajpopoli. Sindsdien stort ik als padrino, peter, maandelijks wat geld zodat haar studie betaald kan worden. Jennifer is kwiek en gezellig en kijkt alsof ze elk moment iets nieuws ontdekt. Ze heeft nog nooit in een boot gezeten. Samen met haar broer Elias staat ze in de zon op het voorsteven van de boot en lacht terwijl het water opspat en opspat, telkens weer. Het is de eerste keer dat ze het meer van Attitlan ziet, ook al ligt het in dezelfde regio als hun pueblo, dorp. Haar vaders gezicht is één grote glimlach en ik ben al heel de ochtend blij dat ik de familie deze uitstap cadeau kan doen. Haar moeder zit in de schaduw en kijkt opzij naar al wat zij niet kan hebben, niet kan zien en ze denkt ergens aan.


Ze wonen in Comalapa, in de bergen van Guatemala. Zowat iedereen leeft hier als indigeno en dus traditioneel. De tijd staat er een beetje stiller, de kleuren zijn er een beetje kleurrijker. De mensen bezitten er niet veel. Maar ze lijken tevreden met hetgeen de dag, of God zo je wil, hen voorschotelt en wensen anderen hetzelfde toe. Ja, mits soms enig voorbehoud, ook de ongeschoren blanke in korte broek en mouwloos hemdje die ik ben. En ze doen dit op een manier waarbij je haast gaat geloven dat jouw goede dag ook echt hun wens is. Drie dagen geleden kwam ik hier aan. Het deed deugd een poosje weg te zijn uit Antigua, een stad die je soms enkel ziet als je tussen de toeristen kijkt. De eenvoudige openheid van Jennifer en haar familie hangt al drie dagen over mij. Tijdens mijn eerste korte bezoek, twee maanden geleden, was het me in de enkele uren al opgevallen hoe welkom ze me heetten. En met mij, mijn verschillende Westerse leven. Het leven waarover Jenifer me vroeg wat ik er het lekkerste eten in vond, of ik er al getrouwd in was, en wat er mijn lievelingsdier in was. Vader Jorge troonde me die dag meteen mee naar het lokale radiostation waar hij dj is, en in gebrekkig Spaans wenste ik die dag iedere inwoner van Comalapa een goede namiddag en haspelde ik mijn genoegen over de stad.


Ook deze dagen voelde ik me weer welkom in hun minuscule huisje, waar de vloer van aarde is en de slaapkamer van iedereen. Jennifer was blij met de cadeautjes, een bal en jongemeisjescremes. We speelden voetbal op een grasveld en ze trapte altijd tegen de bal, liep er dan vrolijk achter aan en trapte hem dan weer even vrolijk verder weg. Moeder Margarita keek lachend toe met haar goudkleurig kunstgebit in de zon, en hield ondertussen haar kleinkind vast. Wat later vertelde ze me dat het slecht ging met haar gezondheid, maar dat ze de noodzakelijke ziekenhuiskosten niet meer kon betalen.


In het begin was het zoeken naar het juiste evenwicht tussen afstand en nabijheid met Jennifer en haar familie. Ik bedoel, ik ben dan wel padrino, maar ik zou onpasselijk worden, mocht ik de indruk wekken dat ik Jennifer hier wel even van hen zou overnemen en haar Het Echte Leven tonen. Het leven waarin cadeautjes of een grote fles van het echte merk Coca-Cola geen maandelijkse rekensommen hoeven te zijn, maar in een handomdraai beschikbaar.

Het geld dat ik had, voelde aan als een onwelgekomen gast. In het begin kostte het me enige schaamte bij het bovenhalen van mijn quetzales om de taxi of de pizza’s voor de hele familie te betalen, het soort schaamte dat iemand heeft omdat hij toevallig in een rijker land geboren is. Steeds een korte steek in mijn zij, een prik van de oneerlijke helaasheid. Maar intussen is het gemakkelijker geworden. Ik betaal. Ik heb toevallig wat meer geld dus dat is logisch. Ik voel me gelijk, aangenaam opgenomen aan de zijlijn van de familie en ’s nachts slapend in het lokale hotel van Comalapa, met wat verder een huis dat altijd voor me openstaat.


Zowat twee uur geleden kwamen we aan. Op San Marcos strandden we aan een rustig plekje aan het water, omgeven door bucolische bomen en planten. Jennifer en Elias leken opgetogen. Achter een boom trokken ze hun geïmproviseerde badpakken aan en wandelden voorzichtig het water in. Ze konden niet zwemmen, maar dat deed er niet toe. Vanuit hun plekje in de schaduw bekeken beide ouders het tafereel met lachende ogen. Ze leken tevreden. Het soort tevredenheid dat je kan krijgen als je aandachtig naar een mooie film kijkt. Ik was het ook en we lachten allemaal op de foto’s. Wat later vonden we zeeslakken in het ondiepe water. Eetbare, zo verzekerde vader Jorge me, en Jennifer propte de zijzakjes van haar rugzak vol.


Nu zitten we terug in de boot, terug naar het vasteland en Jennifer staat stralend op het voorsteven. Ze houdt het veiligheidskoord al lang niet meer vast, ook al schommelen de golven haar op en neer. Ik zit wat meer achterin en kijk naar haar en naar haar familie. Dan naar rechts, naar de onmogelijk rijke villas op de bergflank. Er stromen gedachten door mijn hoofd. Sommige denkpistes twijfelen even aan deze dag, een dag met een ontbijt waarvoor de ouders normaal gezien een maand op de markt aluminium moeten verkopen. En ik kijk naar links en zie dat ook de mama van Jennifer naar de rijkdom kijkt.


En vlak voordat ik wat langer naar haar begon te kijken en op dat moment ook de rust in haar ogen zag, iets verder, haast achter de ogen: een gelatenheid die zichzelf niets tekortdoet, die vrede heeft met wat gebeurt, en die reflecteert. Vlak voor dat moment kon ik alleen maar denken: ‘Waar denkt zij nu aan?