Een van de beste, zoniet de beste, definities van Liefde, in de ruime zin- dus ook die van Jezus- die ik ook gelezen heb, is de volgende:
¨Liefde is, wanneer je geliefde op het salontapijt gescheten heeft, dat je die drol niet walgend oppakt en nog eens kwaad onder de neus van hem of haar duwt met een ' wat heb je me nu geflikt, mens' maar dat je zachtjes naar de badkamer gaat, een beetje WC papier neemt en zwijgend het boeltje opkuist om het daarna snel door te spoelen¨
Prachtig toch.
In Colombia, disons een week geleden, wachtend op een avondlijke bus, heb ik dan evenwel helaas niet liefgehad. En sindsdien vraag ik me af en toe af of het gemeen van me was.
Niet dat ik er niet van kan slapen, ik vraag het me gewoon af.
Het zat hem zo. Ik zat dus te wachten op de bus naar Santa Marta. Ik zat op mijn rugzak in Maucao, vlak over de grens in Colombia, op een boogscheut van Venezuela, doch dat is enkel voer voor de statistieken. Kwam me daar een man naast me zitten. Hoewel het merendeel van de mensen in de Centrale en Zuidelijke landen hier nogal sociaal ingesteld zijn en het niet ongewoon is dat ze snel met wildvreemden- toeristen- aan de babbel geraken, was het me opgevallen dat in Venezuela de bevolking iets bedrukter leek. Iets meer gebogen lopend, iets meer zuchtend. Alsof ze wilden uitdrukken dan wel veel zon mag zijn in hun land, maar dat door de bocht genomen hun olieland geen voltreffer is, in tegenstelling wat Herr Hugo Chavez op zowat elk pamflet tracht uit te schreeuwen. Bon. De man begon met me te babbelen, in Spaans. Tot dusver geen vuiltje aan de lucht.
Sterker nog, ik vond het - tenzij ik heel moe ben of het overenthousiaste gringos zijn die heel de tijd avontuurlijke of louter hedonistische awesome dingen brallen- vaak heel leuk om een praatje te slaan, en vooral dus met locals. Bon, de man heette Ivan en gaf een heel intelligente indruk. Hij vertelde dat hij voor zijn werk in Colombia was. Welk werk? Wel, hij was een pedagoog die met personen met het syndroom van Down werkt. Meer nog: in Brazilie, in de buurt van Rio, had hij een organisatie op poten gezet, die zich gespecialiseerd had in het aanbieden van dolfijntherapie aan mongooltjes.
Ik spitste mijn oren bij het horen van dit, daar dit me enorm boeiend toescheen, misschien ook deels omdat mijn papa Herman ook met mentaal gehandicapten werkt in Belgie maar bij gebrek aan dolfijnen aldaar niet meteen die therapie kan beoefenen en of uitdiepen. Bon, hij vertelde op een sympathieke doch intelligente manier - het toffe type opvoeder, je kent ze wel, het type dat "de gasten op zondagen meeneemt naar boomhutten"- dat het zwemmen met dolfijnen voor mongooltjes een enorm heilzaam effect kan hebben, zowel op vlak van motoriek als op psychologisch vlak - zelfvertrouwen, bindingen, ...- als op puur plezier vlak. Voor ik er erg in had waren we in een coole conversatie verwikkeld waarbij ik laaiend enthousiast was en het beeld van dolfijntjes met mentaal gehandicaptjes me als zonneschijn voor de ogen kwam. Ik vertelde ook wat over mijn leven, terwijl de bus angstvallig lang op zich liet wachten en de nacht in Colombia inmiddels gevallen was, al klinkt deze laatste zin wellicht epischer dan het op dat moment was.
Ivan vertelde me dat hij deze ochtend naar huis wilde gaan (hij was een 3 tal weken in Colombia geweest, voor het werk en voor ontspanning, het was me niet zo duidelijk welk het nu was) en wilde aanvankelijk de bus terug nemen naar Venezuela, van waaruit hij terug naar Brazilie ging keren.
Maar, en hij kreeg iets grimmigs toen hij dit begon te vertellen, als een Mexicaanse bandido vlak voordat die op de grond spuwt, zijn visakaart was ingeslikt en hij had niets van geld meer. Het was zaterdag en de banken gingen pas open op dinsdag, dus hij moest het nog 2 dagen zien te rooien in de busterminal. Waarom hij niet op een aangenamere plek deze dagen sleet, was een vraag die in me opkwam maar die ik wist te onderdrukken.
Pas over drie dagen kon hij, als die klotebank even meewerkte, terug naar Zuid- Colombia terugreizen, waar hij woonde. Terwijl hij iets te dramatisch richting de einder van de busterminal tuurde en een zucht of 3 slaakte, iets te luid ook, begon ik onraad te ruiken.
Zuid- Colombia? Zei hij Zuid Colombia? Had hij me nu net niet gezegd dat hij richting Venezuela moest. Ik begon achterdochtig te worden. En ik haatte mezelf ervoor, want ik haat het om achterdochtig te worden. Wat later gaf hij me zijn email en de website van de organisatie in Brazilie, waarvan hij de baas is. Hij vertelde me dat hij over een maand op een congres in Nicaragua zou zijn, waar hij als dolfijnenspecialist een exposee over het therapeutische heil van zwemmen met deze dieren zou vertellen. Samen met de website smolt mijn wantrouwen een beetje, zij het niet als sneeuw voor de zon.
Ik bood hem wat chips aan en een pintje, maar hij leefde nogal gezond, legde hij me uit, dus terwijl Ivan de bussen in de gaten hield daar de mijne al anderhalf uur te laat was, sjokte ik naar de winkel om een fles water te gaan kopen voor hem. Daar ga je, Ivan.
Hij vertelde me wat meer, dat hij 2 kinderen had, in Brazilie, en dat hij ze enorm mist en daarom graag zo snel mogelijk wilde terugkeren. Naar Brazilie of naar Zuid - Colombia? vroeg ik hem, omdat ik inmiddels enige sporen bijster werd. Neenee, Brazilie, in Zuid- Colombia woonde zijn broer, daar ging hij gewoon even passeren. Vervolgens vertelde hij, niet meteen rechtstreeks aan mij, eerder aan de wereld, dat het godgeklaagd was dat hij hier nog 2 dagen wortel zou liggen schieten in deze terminal, wachtend tot de banken zijn kaart terug zouden uitspuwen. En hij had niets van geld, enkel sportschoenen....Het ging hard worden.
Daarover twijfelde ik niet, maar ik had inmiddels besloten om hem geen geld te lenen of te geven. '
Het is te louche, hij verzint indianenverhalen en doet dit elke avond, hier knal op de zelfde plaats, waarbij hij naieve backpackjongetjes uitkiest die iets te vriendelijk terug antwoorden', zei mijn ene hersenhelft.
'Tuutut, niet zo wantrouwig, knaap. Geloof eens wat meer in de goedheid van mensen. Hij heeft een website en een overdosis pech'. Een ander deel, de derde helft van mijn hersenen vond het zwaar klote dat er zulke dingen door mijn kop moesten razen en wilde gewoon een toffe babbel.
Tot dusver had Ivan me nog niet rechtstreeks om geld gevraagd. Maar het kon elk moment komen. De kanonnen werden gesmeerd. Maar juist het feit dat er zoveel activiteit in mijn pan was, deed me besluiten niets te geven. Ik ben trouwens, zoals ik wel eens placht te horen in mijn job als bemiddelaar
'toch verdomme geen melkkoe!'. Al dacht ik het anders. Ik bedoel, ik ben gewoon niet zo rijk dat ik iedereen kan helpen, al zou ik dat
-zoals gisterenavond nogmaals pijnlijk duidelijk werd hier in Nicaragua, waarbij een jongetje met slaap (of gedrogeerde, al hoop ik van niet) ogen ons - 2 smpathieke Israelias en ik- kauwgum kwam verkopen en dat me nog steeds altijd van de kaart slaat, de armoede vlak voor het toerisme ontplooid, waardoor de on on on rechtvaardigheid van dit alles, de wereld, het toerisme, het feit dat steden in het centrum uit hotels bestaan en de oorspronkelijke inwoners naar de rand verdreven worden, de huur in het centrum niet betalend kunnend, de sigaret die ik rookte terwijl we met Alex, de dodelijk vermoeide kaugumverkoper, spraken, Alex die 13 was en tot 5 uur snachts moest werken in de straten van Granada, hier in Nicaragua, omdat zijn familie geen geld had; hij had sportschoenen nodig, en elke ochtend om 6 uur 30 moet hij eruit om naar school te gaan en nee, zei hij waterig en vanuit schijnbaar een andere wereld, hij had zelden slaap nodig. De wijn die we drinken, die lekker was, werd zuur zuur zuur. En ik verdrietig. Terecht denk ik.-
heel erg willen kunnen.
Dan, en nu komt de clou - want jullie hebben gelijk, die mag stilaan gaan komen-
deed ik het volgende, en ik weet dus niet of het gemeen was of niet. Ik weet wel dat het niet past binnen mijn favoriete definitie van liefde en dat ik Ivan dus niet liefgehad heb. Maar of het gemeen was, ach ik hoef of wil het eigenlijk niet weten.
Ik vroeg hem hoe oud zijn drie kinderen waren. De achterdocht had intussen de overhand genomen, toen hij me vertelde dat we over een maand in Guatemala ofzo konden meeten, daar hij daar een congres had, over dolfijnenzwemmen natuurlijk, wat dacht je. Maar ik herinnerde me dat het een kwartier tevoren Honduras was, waar dat bewuste dolfijnencongres ging plaatsvinden, dat hij me dat zo verteld had. Dus vroeg ik hem hoe oud zijn drie kinderen waren. 6, 8, en 11 zei hij meteen, en dat hij ze mistte en hier nog aan de bus moest zitten wachten tot dinsdag, en of ik me dat kon inbeelden.
Het gevoel op dat moment bij mij, de gedachten, ik zei het natuurlijk niet openlijk: "Ivan, ik heb je te pakken, kerel. Heb je me dus tijdens de laatste 15 minuten even een extra kind gecreeerd. Normaalgeproken weet je wel of je 2 dan wel 3 kinderen hebt. Ge-klist man, je bent een leugenaar en je wil dat ik je geld geef of geld leen
dat je zowiezo zal terugstorten maar natuurlijk niet doet". Ik voelde me een beetje triomfantelijk, een beetje zoals Sherlock Holmes na een opgelost mysterie, al heb ik natuurlijk geen flauw idee hoe die zich gevoeld kan hebben.
Wat later zei ik hem dat ik alleen wilde gaan zitten. Ik zei hem dat hij moest begrijpen dat ik niets van zijn verhaal geloofde, dat ik het aanvankelijk heel boeiend en interessant vond en hemzelf, Ivan, een dijk van een kerel, stel je voor dolfijnzwemmen met mongooltjes, maar dat hij loog loog loog, en dat ik dit zwaar klote vond. Hij was gegeneerd, wist niet hoe hij moest kijken, diepte nog iets op over een buitenechtelijk kind, om het aantal kinderen terug in evenwicht te krijgen. Maar ik luisterde niet meer, en zei dat ik het hem niet kwalijk nam, ik had er wel enig begrip voor, maar ik voelde me opgelicht. En ook voor mij was het genant, ik wist niet waar ik moest kijken.
En mijn aanvankelijk trotse gevoel - "
ik heb je ontmakerd, jij sjacheraar!"- smolt al gauw, dit keer wel als sneeuw voor de zon- omdat ik inderdaad de stront in Ivans neus geduwd had en niet wist of het gemeen was of niet, niet wist of ik gelijk had of niet, niet wist
hoe ik moest zijn, of het pech was of niet, of het het lot was van de wereld, een wereld waarin mannen van 40 met sportschoenen s avonds in busterminals in Colombia verhalen moeten verzinnen dat ze met Mongooltjes met Down tussen dolfijnen zwemmen in Brazilie, om sanderendaags door te komen.
Kleurenfoto's van Venezuela tot Nicaragua, nu dus

In Santa Marta, Colombia, met Bolivar - de held van heel het continent- op zijn paard boven mij en een vruchtendrank met vruchten waarvan je de naam 3 seconden later vergeet

In Cartagena, Colombia, een stad uit een sprookje zo mooi. Met piraten en zo. En ik kan ze niet eens ongelijk geven: mocht ik een piraat zijn en toevallig langs Cartagena dobberen, ik zou het ook wel weten: Enteren die handel!
Kleuren

Een fort om Cartagena tegen diezelfde piraten beschermd te weten. Torent boven de stad uit en heeft dikke muren.
Colombia is een land dat je niet snel uit de oren komt.
Nog meer kleur
Op de laatste avond voor ik naar Panama terugvloog had ik niet echt iets om handen in Cartagena en ook niet echt vrienden. Gelukkig was daar een Circus "Africa " aanwezig, ik had in de namiddag de leeuwen - een tikkeltje zielig ook wel- al zien ijsberen in hun kooi en de tent al zien flapperen. Dus ik ging in mijn eentje naar een Colombiaans circus, tussen vele families en ongelovig kijkende kindjes, met goochelaars wiens truken al na 5 seconden duidelijk werden maar ook met acrobaten en dus vooral de leeuwen, waarbij ik de verruking die ik vanaf mijn 3 tot mijn 14de levensjaar ( ja, inderdaad, bij mij liep deze periode wat later af dan bij de meesten) steevast voelde bij circussen - hoe schraal ze ook waren, soms alleen maar met stoelen en een koppel poedels en een 3x falende balloper-
opnieuw voelde en als een kind ophoog tuurde naar de trapezes en mijn hart vasthield bij elke buiteling en een aantal doden stierf bij de springende leeuwen. De foto hieronder is illegaal getrokken, de man in het geel de dikke leeuwentemmer.

Dit is Panama alweer, het rijkere gedeelte, het gedeelte waarin de mensen leven die het Panamakanaal besturen en die s avonds zich wel eens durven laten gaan voor een spelletje baseball op de WI gamecomputer. Getrokken vanuit Casco Viejo.

Deze sympathieke jongeman, Ryan genaamd, die niet echt de indruk wekte dat hij wist waar hij mee bezig was, en
dat juist dat zo ongelooflijk gezellig was en hem zo neig maakte, kwam ik tegen in het noorden van Panama, in David. We haastten ons door Costa Rica tot aan de grens van Nicaragua, waar we samen op de tegels van de immigratie tenmidden van 100 verbaasde Nicaraguanen, de nacht in openlucht doorbrachten, gewikkeld (!) in Ryans tent. Eergisteren heb ik Ryan achtergelaten in San Juan del Sur, daar hij al na 1 dag een job gevonden had in het hostel waar we sliepen, de manager Lili volledig overklassend met zijn Louis Theroux achtige charme. Met nog 50 dollar op de rekening en ouders die vonden dat hun 34 jarige zoon al genoeg geleend had en intussen zelfbedruipend moest kunnen zijn, was het een job vinden of terugkeren naar de States.Wat een nummer, die Ryan.
Vele groeten, het gaat nog steeds goed, soms zwart, soms wit, soms grijs, soms gekleurd. Maar goed.